Het huis werd in het derde kwart van de 19de eeuw gebouwd, in de trant van het eclecticisme. Het valt op door de details van de voorgevel. Hierin zien we invloed van de Engelse Tudorgotiek. Het pand was in het verleden onder meer een logement.
Historie
Het huis werd in 1861 gebouwd door de Rozendaalse timmerman Peter Jansen van Galen, in de bouwstijl van het toen populaire eclectisme, een mengeling van stijlen.
Het is oorspronkelijk gebouwd als woning op een vrijwel vierkant grondplan. In 1871 werd er een vrijwel even groot achterhuis aangebouwd. Jansen van Galen woonde er zelf met een groot gezin en verhuurde er woonruimtes en hield er pension.
In 1906 overleed zijn vrouw Everdina van Laar en werd de woning verkocht aan de firma Gebr. Stork uit Hengelo, die er een vakantieverblijf voor het Stork personeel van maakte. Op dat moment bezat de woning een koetshuis, een schuur, 2 keukens, 2 bijkeukens en 3 toegangen en in totaal 17 kamers. Er volgde in 1908 een interne verbouwing onder leiding van de architect Van Straaten en in 1910 werd er aan de westkant een waranda aangebouwd.
In 1948 werd het pension verkocht aan de weduwe Wilhelmina Frederika Hagen (geb.1897). Zij was de weduwe van de in 1942 in Sachsenhausen gefusilleerde verzetsman Gijsbertus Johannes Suman.
In 1981 werd de woning gesplitst in twee woonhuizen, nr 29 en nr 29A.
De naam Bethanië
De eerste vermelding van de naam Bethanië voor de woning is uit 1881. Mogelijk had de woning deze naam al direct na de bouw. Bethanië was een dorp bij Jeruzalem dat in het Nieuwe Testament wordt genoemd als de woonplaats van Maria, Martha en Lazarus. Jezus verbleef er geregeld en Lazarus werd er uit de dood opgewekt. De naam wordt vaak geassocieerd met gastvrijheid en huiselijkheid. Gezien de woning in die begin periode vele tientallen jaren pension is geweest, lijkt die naam niet onlogisch. Dat de naam Bethanië door de protestant Jansen van Galen gekozen zou zijn vanwege het laat-middeleeuwse Arnhemse klooster Bethanië lijkt minder voor de hand liggend.
Monument
Het gepleisterde en wit gesausde tweelaagse pand heeft in oorsprong een T-vormige plattegrond en bestaat uit een dwarsgeplaatst voorhuis en een achterhuis. Het voorhuis heeft een zadeldak met nok evenwijdig aan de weg. Op de nok van het voorhuis bevindt zich links een gepleisterde schoorsteen. De omlopende plint is grijs geschilderd.
Op de hoeken van de begane grond zijn er geblokte pilasters. In het midden is een fraaie serre, die oorspronkelijk een veranda was. De serre heeft door rondboogjes afgesloten ramen, met tussen de bogen in opengewerkte houten vullingen. De stijlen zijn van een van een opgelegd ornament voorzien en ze hebben eenvoudige kapiteeltjes.
De verdieping heeft een balkon met een fraaie in hout en gietijzer uitgevoerde balustrade. De dubbele balkondeuren hebben een bovenlicht in de vorm van een naar binnen gebogen driehoekige boog. Aan weerszijden van de balkondeuren bevindt zich een smal rondboogvenster. In de middelste boog bevindt zich een ornament dat doet denken aan een gestileerd gewei.
In de geveltop bevindt zich een gesneden houten ornament dat eveneens verwantschap met een gewei vertoont. De puntgevel wordt afgesloten door windveren.
Het pand is nu een dubbel woonhuis. Het huis heeft een tuin met diverse bomen, struiken, een gazon en een haag die de tuin van de straat scheidt. Het koetshuis bevindt zich links in de achtertuin. Voor een volledige beschrijving van de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed: klik op het document onder de foto"s rechtsboven.
Ga naar Velp →
(
Onbekend
© Onbekend
)